Achtergrondinformatie

Het Reeuwijkse Plassengebied omvat 12 plassen die vanaf de zeventiende eeuw door vervening zijn ontstaan. Deze plassen vormen het zogenaamde “oude plassengebied” (Gebied). Daarnaast is er de “nieuwe plas”, Broekvelden/Vettenbroek, die het resultaat is van zandwinning in de tweede helft van de twintigste eeuw. De Reeuwijkse Plassen zijn in landschappelijk en cultuurhistorisch opzicht en qua natuurwaarden een zeer interessant en waardevol gebied, waarvan velen genieten, maar dat ook de nodige zorg vraagt.

Cultuurlandschap

Nederland is een vol land. Natuur is er weinig en wat er aan natuur is, is allang geen ongerepte natuur meer. Er is nauwelijks nog één plek in Nederland te vinden waar zoiets als een “oorspronkelijk” landschap bestaat. Vrijwel het hele landschap is door mensenhanden geschapen of tenminste sterk door de mens beïnvloed. Zelfs wat we nu natuur noemen – bossen, heidevelden, veenplassen, hooi- en weilanden – is feitelijk een soort half-natuurlijk landschap. Het befaamde gezegde ‘God heeft de wereld geschapen, maar de Nederlanders Holland’ geeft dit bondig weer.

Vooral voor laag-Nederland is dit evident: juist de geschiedenis van het Hollandse landschap is één van de meest fascinerende voorbeelden van de wisselwerking tussen mens en milieu. Ook het Reeuwijkse Plassengebied is op deze wijze ontstaan. Het gebied omvat 12 plassen, met een gezamenlijk oppervlak van zo’n 760 ha, die vanaf de zeventiende eeuw door vervening geleidelijk aan zijn ontstaan. Deze plassen vormen het zogenaamde ‘oude plassengebied’. De diverse stadia van de vervening zijn goed te zien op oude kaarten (zie topotijdreis.nl).

Daarnaast is er de “nieuwe plas”, Broekvelden/Vettenbroek, die het resultaat is van zandwinning in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Een uniek gegeven is, dat het in het “oude plassengebied” het eigendom voor 80% in particuliere handen is. Broekvelden/Vettenbroek met een oppervlak van ongeveer 190 ha is eigendom van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk.
De Reeuwijkse Plassen zijn in landschappelijk en cultuurhistorisch opzicht en qua natuurwaarden een zeer interessant en waardevol gebied, waarvan velen genieten, maar dat ook de nodige zorg vraagt.
Het plassengebied is een complex gebied door de verschillende vormen van gebruik: er wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd, zowel op het land als op het water. Als belangrijk natuur- en aantrekkelijk recreatiegebied in het centrum van het Groene Hart zijn de Reeuwijkse plassen opgenomen in tal van plannen en ontwikkelingen op het terrein van de ruimtelijke ordening, recreatie en natuurbehoud en natuurontwikkeling.
Het afstemmen van de verschillende belangen en vormen van gebruik om zo tot een goede balans te komen, vraagt van een ieder kennis van zaken en inzicht als ook respect voor elkaar.

Bodemdaling

Aan het einde van vorige eeuw zijn vanaf 1995 tot na 2000 controle metingen uitgevoerd van de ondergrond van Nederland (Vijfde Nauwkeurigheidswaterpassing). Geconstateerd werd, dat de ondergrond (de zandlaag onder het veen) van West-Nederland gezakt was ten opzichte van het peil van 1930. Na enig beraad met het buitenland (in verband met grensoverschrijdende infrastructuur) is in 2000 besloten om het NAP aan te passen met + 3 cm. Met het gevolg dat vanaf dat moment West-Nederland gemiddeld 2 cm lager kwam te liggen. Uit dezelfde controlemeting bleek, dat in het gebied tussen Gouda, Woerden en Oudewater de zandlaag 3 cm gezakt was, dus meer dan het gemiddelde. Dat heeft gevolgen voor onder andere de peilbesluiten.

Naast deze daling van de ondergrond is in het gebied van de gemeente Bodegraven -Reeuwijk sprake van inklinking en oxidatie van het veenweidegebied. Volgens metingen van de InSAR satellieten, levert dit extra bodemdaling van de oppervlakte op. Het gaat soms om 5 mm per jaar, afhankelijk van het gebruik van het veenweidegebied.
De bodemdaling valt ook af te lezen uit de in de loop der jaren vastgestelde peilbesluiten. In de 19e eeuw werd het waterpeil van polder Sluipwijk, dit is het deel van de plassen ten zuiden van de Ree en ten oosten van de Lecksdijk vastgesteld op -1,10 m AP (Amsterdams Peil). Bij de invoering van het NAP (Normaal Amsterdams Peil) in 1885 werd dat -1,75 m NAP.
Na de doorbraak van de Lecksdijk in 1926 werden polder Reeuwijk en polder Sluipwijk een bemalingsgebied. Er kwam een doorgang met brug in de Ree (tussen de plassen Elfhoeven en ’s-Gravenbroek). Na de Tweede Wereldoorlog werd het peil van de gezamenlijke polders -1,90 m NAP. Sinds 2013 zijn de Reeuwijkse en Sluipwijkse plassen een apart bemalingsgebied met een waterpeil van -2,24 m NAP.
Conclusie: Sinds het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden is de bodemdaling in het plassengebied ruim een meter.

Peilbesluiten

In een peilbesluit legt het waterschap de waterpeilen vast van een begrensd gebied, vaak één of meerdere polders. Het waterschap is wettelijk verplicht voor het oppervlaktewater een peilbesluit op te stellen en heeft de inspanningsverplichting om dit peil te handhaven. Als referentie moeten de waterschappen het Normaal Amsterdams Peil (NAP) gebruiken.
Bij het opstellen van een peilbesluit zijn de gebruiksfuncties van een gebied het uitgangspunt, bijvoorbeeld landbouw, natuur en bebouwing. Deze gebruiksfuncties stellen verschillende eisen aan de hoogte van een waterpeil. De landbouw wil vaak een laag waterpeil, voor de natuur is echter een hoog waterpeil beter.

Waterpeil in de reeuwijkse plassen

Sinds 2013 bestaat binnen polder Reeuwijk en Sluipwijk een apart bemalingsgebied voor de plassen, inclusief Reeuwijk-Brug, maar exclusief plas Broekvelden/Vettenbroek. Het Hoogheemraadschap van Rijnland stelt het watersysteem af op de functies in het gebied, zoals die zijn vastgelegd in het Provinciaal Waterplan. Hierin is “natuur” de functie van het plassengebied.
Volgens het huidige peilbesluit wordt het waterpeil op -2,24 m NAP gehandhaafd. Maar er is een nieuw peilbesluit in voorbereiding, dat ervan uit gaat, dat het peil van -2,24 m NAP mag fluctueren.
Sinds 2014 heeft Rijnland in samenwerking met enkele leden van De Sluipwijkse Plassen een aantal peil- en grondwaterstand-metingen verricht in het plassengebied. Zie deze informatie op de website van Rijnland.

In het voorjaar van 2016 is het voornemen voor het nieuwe peil geïntroduceerd; dit is:
Voorgenomen winterpeil: -2,24 m NAP met een bandbreedte van -2,21 en -2,30 m NAP. Voorgenomen zomerpeil: -2,24 m NAP met een bandbreedte van -2,20 en -2,30 m NAP. Nadat dit voornemen door Rijnland definitief is vastgesteld, wordt het peilbesluit ter inzage gelegd.
Het verschil in de maximaal toelaatbare peilmaat komt voort uit het feit, dat gedurende de regenmaanden er soms ook veel wind staat (opwaaiing richting Gravekoop/Kippekade).
Het bestuur van De Sluipwijkse Plassen heeft bij Rijnland gemeld, dat de panden in het plassengebied verschillend gefundeerd zijn. Er zijn panden op een staal en/of plaatfundering, panden met houten palen op kleef en panden met palen op het zand (de modernere panden). Voor de eerste categorie zal het steeds lastiger worden om het pand droog te houden. Voor de panden met houten palen op kleef is de grote fluctuatie van zowel water- als grondwaterpeil funest. Dit peilbesluit is het meest gunstig voor de natuur en de modernere panden met palen op het zand.

Door de gemiddelde bodemdaling in het gebied (5 mm per jaar) zullen de wegen ten opzichte van het water steeds lager komen te liggen. Het kan zijn, dat door de kosten van ophogen van de wegen over een aantal jaren een nieuw peilbesluit moet komen.

Peilbesluit Stein-Noord

Toen de ernst van de problematiek van de bodemdaling nog niet bekend was (zie ‘Bodemdaling’ in bovenstaande tekst) hebben de verantwoordelijke overheden besloten om in het Stein-Noord het peil ten opzichte van NAP in te voeren zoals dat was voor 1980. Op zichzelf een goed streven. Maar wat is het peil van 1980? Het werd gerelateerd aan de ondergrondse merken van het NAP uit 1980 in het gebied. Op basis daarvan zijn de ondergrondse merken in het gebied in hoogte aangepast. Echter, er had voor het gebied een apart referentievlak of -punt moeten komen. En dat is niet gebeurd.
Stein-Noord is aan de westzijde van oorsprong het laagste gebied en had terecht een afwijkend peil. Met de kennis van nu over bodemdaling en inklinking had de peilaanpassing hier nooit op deze wijze mogen gebeuren. Misschien was het peil tot voor kort te laag, maar men zou kunnen stellen, dat het nu 8 cm te hoog is vastgesteld. De invoering van het peil liep ruim tien! jaar vertraging op. Door het verlate invoeren zijn de landerijen in Stein-Noord (west) extra laag komen te liggen. In droge zomers is namelijk sprake van 5 mm maaivelddaling per jaar van veenweide gebieden die een normale drooglegging kennen. Nu het peil pas tien jaar later ingevoerd werd, is het maaiveld in dat gebied extra gedaald.

Dat leidt tot de volgende berekening:

  • 3 cm peilmerkaanpassing van het NAP (zie Bodemproblematiek)
  • enige jaren inklinking van het veen (ongeveer 5 cm)
    betekent, dat indien het peil 8 cm lager zou zijn dan nu het geval is, het overeen zou komen met de bedoeling uit 1980.

Het ingenieursbureau Hansje Brinker zou het aantal mm aan inklinking sinds 1992 echt kunnen vaststellen.

Bronnen

Joop Gravesteijn, secretaris van De Sluipwijkse Plassen
http://www.hansjebrinker.com/nl/
Hansje Brinker houdt infrastructuur in de gaten door analyse van een groot aantal satellietbeelden door de jaren heen (sinds 1992) en de meest recente beelden. Door specifieke locaties van het object te volgen in opeenvolgende satellietbeelden, kan Hansje Brinker op elk van die locaties de deformatie tot op de millimeter nauwkeurig bepalen. Met deze methode krijgt de beheerder een compleet overzicht van de status van de infrastructuur; een analyse die met traditionele meettechnieken zoals waterpassen teveel tijd en geld zou kosten. Bovendien zijn er, naast de resultaten van Hansje Brinker, geen andere historische gegevens over verzakking beschikbaar.
– Proefschrift Satellite Radar Interferometry van dr. Ir. V.B.H. Ketelaar.
Ter ondersteuning van haar proefschrift is door Joop Gravesteijn meegeholpen met allerlei metingen. In eerste instantie werd een weiland tussen Delft en Pijnacker gemonitord, later een gebied tussen Langeraar en Polsbroek.
– Heel belangrijk zijn de op www.ncgeo.nl (Nederlandse Commissie voor Geodesie en Geo-informatie) opgenomen jaarverslagen van de Subcommissie Bodembeweging en Zeespiegelvariatie.
Radar interferometrie (InSAR) is een erkende techniek voor het meten van bewegingen van het aardoppervlak. Door het toepassen van tijdreekstechnieken zoals Persistent Scatterer Interferometrie (PSI) is het mogelijk door middel van InSAR bodembewegingen tot op de millimeter nauwkeurig in kaart te brengen. InSAR kan nog verder worden geoptimaliseerd door onder meer het onderzoeken van de ruimtelijke eigenschappen van het signaal.